Ga verder na de inhoud
Zijn we uitgelezen?
Onderzoek

Zijn we uitgelezen?

In tijden van fake news hebben we geoefende lezers nodig die teksten kritisch kunnen beoordelen. Hoe krijgen we jongeren weer aan het lezen?

12 minuten
17 december 2020

‘Geen excuses meer: tijd voor die turf’, kopte een krant tijdens de lockdown boven een artikel over kloeke klassiekers uit de wereldliteratuur. De vraag is maar of onze leesspieren nog wel voldoende ontwikkeld zijn voor dat zwaardere werk. En hoe zit dat dan bij onze jongeren, die steeds minder leeskilometers lijken te maken?

Wat volgt mag dan wel een pleidooi voor lezen zijn, niet alle lectuur stemt even vrolijk. Neem het PIRLS-rapport van 2016, een internationaal vergelijkend onderzoek naar leesprestaties bij leerlingen uit het vierde leerjaar lager onderwijs. De groep Vlaamse kinderen die (bijna) elke dag leest, bleek op tien jaar tijd geslonken van 48% naar 36%. Nog zorgwekkender: het aantal kinderen dat nooit of bijna nooit leest verdubbelde bijna, van 9% naar 17%. Een andere internationale bevraging, PISA genaamd, toont dat de groep niet-lezers bij 15-jarigen nog groter is.

De prestaties voor begrijpend lezen zijn navenant, blijkt uit het PIRLS-rapport: Vlaamse leerlingen scoren ronduit zwak, een stuk onder het West-Europese gemiddelde en ook net onder het internationale gemiddelde. “Wat vooral zorgen baart, is dat we blijven achteruitgaan in deze onderzoeken”, zegt professor Elke Peters, hoofd van de Onderzoeksgroep Taal en Onderwijs. “Zelfs als je niet zou vergelijken met andere landen kan je alleen maar vaststellen: het gaat bergaf.”

Ideaal krachtvoer

De resultaten deden dan ook alarmbelletjes afgaan, getuige krantentitels als ‘Red het lezen. Nu!’. Niets te vroeg, vindt professor Engelse literatuur Elke D’hoker, die zich buigt over de plaats van literatuur in ons onderwijs. “Ik denk dat de houding bij ons te lang geweest is: Er zijn nu eenmaal kinderen die niet graag lezen, zoals anderen niet graag voetballen, so what? Maar nu we de scores voor leesvaardigheid dramatisch zien dalen, die zo bepalend zijn voor het verdere succes in de schoolloopbaan, schieten we wakker: Het is niet zomaar een hobby als een andere.”

Veel van de gunstige effecten van lezen – socialisatie, empathie, creativiteit, zelfontdekking, een ruimer wereldbeeld – zijn lastig meetbaar. Dat ligt moeilijk in een samenleving die alles wil becijferen. Goede literatuur is ook meerlagig, brengt verschillende perspectieven samen en geeft geen eenduidige antwoorden. Ideaal krachtvoer in tijden van fake news? Elke Peters knikt instemmend: “Dat is heel zeker zo: om de informatie in een tekst kritisch te kunnen beoordelen, moet je goed begrijpend kunnen lezen en fouten in een redenering of argumentatie kunnen opsporen.”

Meer dan ooit hebben we dus getrainde lezers nodig, maar er is ook nog nooit zoveel concurrentie geweest van andere vormen van tijdverdrijf. Een YouTube-filmpje bekijken of een game spelen kost zoveel minder moeite dan een boek doorploegen. “Anderzijds: die concurrentie van andere media is er overal, maar je ziet niet in alle landen dezelfde povere scores voor leesplezier en leesvaardigheid”, zegt Elke D’hoker. “Als je je leescultuur sterk genoeg maakt, is ze heus wel opgewassen tegen die concurrentie.” Volgens Elke Peters kunnen we lessen trekken uit de aanpak van Ierland. “Daar hebben ze al vele jaren een National Literacy Strategy en ze plukken er ook duidelijk de vruchten van.”

Er is veel bagage verloren gegaan: een brede geletterdheid, het ontdekken van nieuwe dingen buiten de eigen leefwereld … En ook gewoon: voor een langere tijd bezig kunnen zijn met een tekst.

Verloren bagage

De sleutel van zo’n nationaal leesbeleid ligt in het onderwijs. Maar over de ideale aanpak lopen de meningen sterk uiteen. “In het midden van de twintigste eeuw was het idee nog: je leert je eigen taal en vreemde talen door literaire teksten te lezen. Zoals dat nu nog min of meer gangbaar is voor Latijn en Grieks”, zegt Elke D’hoker. “Daarop is geleidelijk reactie gekomen vanuit het idee: De leerlingen kunnen nu wel Goethe lezen, maar ze kunnen geen tickets bestellen in een Duits treinstation.”

Dus kwam er een veel grotere aandacht voor communicatieve vaardigheden, mondeling taalgebruik en de leefwereld van jongeren. Die correctie was nodig, maar ze is te ver doorgeslagen, vindt D’hoker: “Kijk naar de handboeken voor talenonderwijs: die werken met krantenartikels, interviews of hooguit een kort fragmentje uit een literaire tekst. Het idee van deep en engaged reading is weggevallen. Daardoor is er veel bagage verloren gegaan: een brede geletterdheid, het ontdekken van nieuwe dingen buiten de eigen leefwereld … En ook gewoon: voor een langere tijd bezig kunnen zijn met een tekst.”

Je moet de nodige leeskilometers maken om een goede lezer te worden, vindt ook Elke Peters. “Pas als je iets goed kan, ga je het ook echt leuk vinden. Haper je vaak en ken je veel woorden niet, dan is lezen natuurlijk niet prettig en zal je ook minder geneigd zijn om het te doen. Als je het lezen al vanaf het lager onderwijs verwaarloost, kom je dus in een vicieuze cirkel terecht.”

Geen vak apart

En daar lijkt het schoentje behoorlijk te wringen. Het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -evaluatie van KU Leuven analyseerde de Vlaamse resultaten in het PIRLS-onderzoek en stelde vast dat het aantal uren dat in het vierde leerjaar aan leesinstructie wordt besteed tussen 2006 en 2016 bijna gehalveerd is. Maar volgens de onderzoekers is het nog belangrijker wie die lessen geeft: een beslagen en begeesterende leraar maakt het verschil. Het PIRLS-onderzoek geeft aan dat 35% van de Vlaamse leraren in de voorgaande jaren géén bijscholing had gevolgd over begrijpend lezen. De onderzoekers raden aan om veel meer in te zetten op vakdidactische professionalisering en nascholing.

Een andere interessante vaststelling uit hun analyse: in 2016 is het ‘vaak lezen voor het plezier’ een sterke voorspeller geworden van de prestaties voor begrijpend lezen, terwijl dat verband er in 2006 amper was. Het is met andere woorden een probleem geworden om kinderen die zelden lezen buiten de schooluren tot een voldoende hoge leesvaardigheid te brengen. Het leesplezier stimuleren is dus belangrijker dan ooit. “Ik vroeg mijn dochter vandaag nog of er in de klas veel voorgelezen wordt”, zegt Elke Peters. “Ze zei: af en toe. Eigenlijk zou er elke dag toch wel iets moeten worden voorgelezen op de lagere school. Of je voorziet momenten waarop ze vrij kunnen lezen zonder dat daar een taak aan vasthangt.”

Dat is ook één van de aanbevolen motivatiemethodes in een vorig jaar uitgebrachte praktijkgids voor beter leesonderwijs. Specialisten onder promotorschap van Kris Van den Branden (KU Leuven) en Hilde Van Keer (UGent) stelden die samen in opdracht van de Vlaamse Onderwijsraad. Hun advies gaat uiteraard verder dan alleen leesmotivatie. Volgens de onderzoekers is het belangrijk dat leerlingen strategieën aangeleerd krijgen om teksten te verwerken en betekenis te geven, en dat de leraar hen daarbij intensief begeleidt. Ze benadrukken ook dat een goed leesbeleid op school niet beperkt kan blijven tot een les ‘begrijpend lezen’: het aanleren van die vaardigheid moet in alle vakken verwerkt zitten.

Als je over boeken praat, krijg je inzicht in de meerlagigheid van literaire teksten, en dat bevordert ook de leesmotivatie en het leesplezier.

In een kramp

Als kinderen in de lagere school ontdekken hoe prettig het is om verdiept te zijn in een boek, kan je hen in het middelbaar onderwijs uitdagen met moeilijkere boeken. Je hoeft ook niet bang te zijn om lectuur op te leggen, vindt Elke D’hoker. “De terechte kritiek op de canon – ‘steeds weer hetzelfde dozijn blanke mannen’ – heeft geleid tot een krampachtige angst om te verplichten. Waarbij de denkfout is dat het lezen van een opgelegd boek sowieso een negatieve ervaring is, terwijl het dat helemaal niet hoeft te zijn. Er bestaat zo’n grote verscheidenheid aan genres en thema’s dat het een kwestie is van het juiste boek bij elke lezer te krijgen.”

Ze verwijst ook naar de eindtermen voor het secundair onderwijs, waarin literatuur lange tijd niet veel meer dan een dienende functie toebedeeld kreeg, als één van vele tekstsoorten. “Zowat de enige plaats waar boeken nog een plaats krijgen, is in het zogenaamde leesportfolio. Leerlingen moeten dan bijvoorbeeld vier boeken lezen, maar dat wordt iets heel erg individueels: ieder kiest zijn eigen boeken uit de leeslijst – het liefst dunne of verfilmde boeken – en schrijft daar dan een reflectie op. Terwijl net het idee van discussie over boeken cruciaal is. Al pratende krijg je inzicht in de meerlagigheid van literaire teksten, en dat bevordert ook de leesmotivatie en het leesplezier. Het is wel hoopgevend dat één van de recent ingevoerde nieuwe eindtermen voor de eerste graad ‘literatuur (in vreemde talen/in de moedertaal) beleven’ is.”

Voor vreemde talen is dat een heel ander verhaal dan voor het Nederlands. In de eerste lessen Engels of Frans kan je uiteraard niet komen aanzetten met boeken en literatuur: die talige bagage is er nog niet. “We weten bijvoorbeeld dat je – afhankelijk van de graad van tekstbegrip – 4.000 tot 8.000 woordfamilies moet kennen om een literaire tekst in het Engels te lezen”, zegt Elke Peters, die zelf onderzoek doet naar taalverwerving. “Met toetsen bij leerlingen zijn we nagegaan hoeveel woorden Engels zij al kennen als ze aan het middelbaar beginnen. Dat blijken er al heel veel te zijn: twaalfjarigen hebben een Engelse woordenschat van ongeveer 3.000 woorden. Dat is een behoorlijke basis.”

Games zijn een belangrijke bron voor die eerste woorden. En niet eens zo’n slechte: als je ze talig analyseert, zie je veel van de meest frequente woorden uit het Engels terugkomen. Maar natuurlijk moeten kinderen ook de meer formele registers van een taal onder de knie krijgen. “De leerwinst in het middelbaar kan je vooral op dat vlak halen, en daarbij is zeker een rol weggelegd voor boeken en literatuur”, zegt Elke Peters. Maar wordt die piste ook benut? Ze deed zelf een mini-onderzoekje en vroeg haar eerstejaars hoe vaak ze in het laatste jaar middelbaar een boek moesten lezen voor het vak Engels. Ongeveer acht op tien antwoorden ‘één of twee keer per semester’, één op tien antwoordde ‘nooit’.

Voor andere vreemde talen is het nog maar de vraag of er überhaupt genoeg talige bagage is om aan literatuur te beginnen. “We zien dat na acht jaar Frans – twee jaar lager onderwijs, zes jaar secundair – de kennis van het Frans eigenlijk niet voldoende is om een krantenartikel of boek vlot te lezen. De enorme hoeveelheden Engels waaraan we blootgesteld worden kan je in de klas nooit compenseren voor het Frans. Maar de kloof moet zeker kleiner worden. Het zou naïef zijn om te denken dat dat met twee of drie contacturen kan. Als je echte vooruitgang wil boeken, moet er veel blootstelling aan de taal zijn via contacturen op school, maar moet je leerlingen aanmoedigen om er ook buiten de schoolmuren iets mee te doen.”

Ommezwaai

Het zijn ook enkele van de bezorgdheden van het Vlaams Talenplatform, een initiatief van de academische taalopleidingen dat inmiddels een brede groep van taaldocenten vertegenwoordigt. In een actieplan dat ze in maart presenteerden, sommen ze een aantal maatregelen op om het talenonderwijs op alle niveaus in Vlaanderen te versterken. Zo roepen ze op om de leraren beter te ondersteunen, de vooruitgang van leerlingen beter te monitoren en campagnes te lanceren die het maatschappelijk belang van talen onder de aandacht brengen.

“De achteruitgang van de populariteit van de talenopleidingen aan de universiteiten wijt ik ten dele aan het feit dat er minder lezers zijn”, zegt Elke D’hoker. “Traditioneel kwam onze instroom vooral uit de groep jongeren die graag lezen. Ik merk ook dat onze studenten gewoonweg minder literatuur achter de kiezen hebben als ze aan hun universitaire opleiding beginnen. Ze weten nog wel wie Proust is, maar ze zullen geen boek van hem gelezen hebben.”

Ze probeert zelf haar steentje bij te dragen aan een ommezwaai, onder meer met een jaarlijkse Dag van het Literatuuronderwijs. Onderzoekers en leerkrachten vormen dan tandems om workshops te geven die de brug slaan tussen de academische theorie en de lespraktijk op school. De nood daaraan is groot, blijkt uit de overrompelende interesse. “De leerkrachten zeggen ons dat er vooral nascholing is over pedagogische aspecten, hoe je moet omgaan met leerstoornissen in de klas bijvoorbeeld, terwijl ze ook naar dat inhoudelijke op zoek zijn.”

Samen met enkele Europese partners bereidt Elke D’hoker momenteel ook een project voor rond short forms in het talenonderwijs: “Kortverhalen zijn bijvoorbeeld een onderbenutte vorm van literatuur. Als je daarmee werkt in de handboeken, heb je meteen een volledige literaire tekst, die klassikaal gelezen en besproken kan worden.”

Ze heeft nog wel meer ideeën om de leeslust aan te wakkeren op de middelbare school. “Zoals je boekenjuffen en -meesters hebt op de lagere school, zou je leescoaches kunnen aanstellen in het middelbaar. Taalleerkrachten met een beperkte literaire bagage zouden bij de leescoach kunnen aankloppen voor advies. Samen kunnen ze ervoor zorgen dat jongeren geleidelijk meer uitdagende boeken aangereikt krijgen die passen bij hun specifieke niveau. Dat is het recept om leesmotivatie en leesplezier op peil te houden.”

“Leespromotie zou iets van de hele school moeten zijn. Jongeren zouden het ook interessant vinden om te weten welk boek de leraar biologie graag leest, of welk boek aansluit bij een onderwerp in de les geschiedenis. Er zijn zovéél overkoepelende projecten in scholen – denk aan verkeerseducatie of alcohol- en drugpreventie. Leespromotie zou er daar ook één van moeten zijn.”

IMG 2507 web Michiel Devijver 2
© Michiel Devijver

Van ouder tot wrapper

Uiteraard hebben ook ouders een cruciale rol. In de resultaten van het PIRLS-onderzoek valt op dat Vlaamse ouders weinig activiteiten doen met hun peuter of kleuter om hun geletterdheid te stimuleren. Elke D’hoker en Elke Peters hebben allebei kinderen en zijn dus ervaringsexperts. Wat is hun tactiek? “Ook thuis komt het erop aan om het juiste boek bij de juiste lezer te krijgen”, zegt Elke D’hoker. “Mijn derde leest voortdurend, mijn oudste is een moeilijke lezer. Ik merkte bij hem dat series van kinder- en jeugdboeken aanslaan: als je weet waarover het zal gaan en dat je het leuk zal vinden, is de drempel naar een nieuw boek kleiner.”

Elke Peters, moeder van twee kinderen, heeft gelijkaardige ervaringen: “Vorige week hadden we het vierde boek uit de Waanzinnige Boomhut-reeks besteld en dat heeft onze dochter bliksemsnel uitgelezen. Ze was enthousiaster dan bij de vorige delen. Natuurlijk: als het lezen steeds beter gaat, ga je ook veel liever lezen. Dus nog eens: veel leeskilometers maken, dat is de sleutel.”

Ouders kunnen ook inspiratie vinden in initiatieven als de Voorleesweek en de Jeugdboekenmaand van de organisatie Iedereen Leest. En zelfs die vermaledijde sociale media kunnen bijdragen aan leespromotie, zegt Elke Peters. “Je hebt bijvoorbeeld fan fiction, waarbij lezers het einde van een verhaal herschrijven of er een vervolg aan breien. Dat kan een leuke manier zijn om kinderen aan het lezen én aan het schrijven te zetten. Ook vloggers kunnen een rol spelen, ik denk bijvoorbeeld aan de wrappers van Ketnet. Kinderen kijken naar hen op. Als zij tonen dat lezen cool is, dan kan dat wel aanslaan.”

“Zeker bij adolescenten kunnen voorbeeldfiguren een grote rol spelen op het vlak van leespromotie”, zegt Elke D’hoker. “Wat je als ouder zegt, heeft op die leeftijd vaak toch alleen maar een averechts effect (lacht).”

Ook gepubliceerd in...

Sonar

Editie september 2020