Ga verder na de inhoud
Recept voor een Engels sausje
Onderzoek

Recept voor een Engels sausje

Wanneer beginnen jongeren het Engels te associëren met ‘cool’? En wat maakt dat een Engels leenwoord een hit wordt in het Nederlands?

8 minuten
25 november 2020

De Engelse taal is wereldwijd een influencer van formaat. Hoe groot is de stempel die ze op het Nederlands drukt? Leuvense taalkundigen zoeken sporen van het Engels in de krant, op Twitter en … aan tafel.

Een typisch tafereel aan een Vlaamse eettafel: een vader en moeder proberen in een gezellige chaos hun aandacht te verdelen over hun kroost. Eén van de drie kinderen maakt aanstalten om zijn stoel van tafel te schuiven. “Mag hij al weg, mama, hij heeft alles toch opgegeten?” vraagt de vader aan zijn vrouw, om dan plots naar het Engels over te schakelen: “There are some strawberries he.” Een slimme manier om aardbeien als mogelijk dessert voor te stellen zonder de kinderen meteen hoop te geven.

“Heel herkenbaar vond ik dat”, zegt taalkundige Eline Zenner, die het mini-gesprekje optekende in een recent onderzoek. “Mijn man en ik gebruiken Engels ook weleens als geheimtaal. Als we bespreken of de kinderen al wat vroeger televisie mogen kijken, doen we dat in het Engels, want anders vliegen ze er meteen op af. Toen ik zelf kind was, gebruikten mijn ouders het Frans op dezelfde manier.”

Het zegt iets over de positie die het Engels de voorbije decennia verworven heeft: we grijpen er nu sneller naar dan naar onze tweede landstaal, het Frans. Niet alleen bij ons heeft het Engels terrein gewonnen. Naast de ruwweg 400 miljoen moedertaalsprekers zijn er meer dan een miljard mensen die Engels spreken als tweede taal – in landen waar het Engels de status van landstaal heeft – of als vreemde taal. Daarmee is het de meest succesvolle lingua franca uit de geschiedenis.

Onvermijdelijk heeft zo’n wereldspeler ook een invloed op onze moedertaal. En dat is het terrein van Eline Zenner: al 13 jaar onderzoekt ze welke stempel het Engels op het Nederlands drukt. Dat brengt haar dus onder meer naar de eettafels van Vlaamse gezinnen. Samen met haar collega Dorien Van Mieroop analyseerde ze het taalgebruik van acht gezinnen met kinderen van zeven jaar of jonger. “De oorspronkelijke bedoeling was om te kijken naar standaardtaal en tussentaal. Het viel meteen op hoe weinig Engels er in de dataset zat. Bij verdere analyse bleek dat ook te kloppen. We vonden Engelse woorden in amper één procent van de uitingen. Daarbij moet ik wel opmerken dat de typische domeinen waarin je veel Engelse leenwoorden vindt – zoals IT – geen evidente onderwerpen zijn voor eettafelgesprekken in jonge gezinnen.”

De ouders kregen in interviews met de onderzoekers ook de open vraag of er talige constructies zijn die ze bewust achterwege laten in de omgang met hun kinderen. “Een typisch antwoord is dan: vloeken. Dat vermijden ouders aan de eettafel … zeggen ze (lacht). Maar er waren ook enkele ouders die expliciet aangaven dat ze bewust geen Engelse woorden gebruiken. We moeten voorzichtig zijn met conclusies uit dit verkennend onderzoek, maar je ziet dat alvast in deze gezinnen het Nederlands echt wel de taal blijft van de identiteitsvorming. Dat is geruststellend voor mensen die vrezen dat het Engels het Nederlands gaat opeten.”

Taal DSF6326 web

Sterrenman ziet sterretjes

Als kinderen aan de eettafel geen grote porties Engels ingelepeld krijgen, waar dan wel? Nog voor ze hun eerste les Engels krijgen op school hebben ze immers al een aanzienlijke woordenschat opgebouwd. Om en bij de drieduizend woorden op de leeftijd van twaalf jaar, blijkt uit onderzoek van professor Elke Peters, expert in taalverwerving. Voor kinderen is Engels natuurlijk de toegangspoort tot games, YouTube-filmpjes en ander lekkers. Gaandeweg gaan ze de taal associëren met ‘cool’, ‘trendy’ en ‘internationaal’. Het Engels wint zo nog meer aan aantrekkingskracht.

Eline Zenner wilde achterhalen wanneer jongeren die sociale betekenis oppikken en trok samen met collega Laura Rosseel naar lagere scholen met een filmpje over een nieuwe superheld. ‘Sterrenman’ vertelt daarin over zijn strijd tegen ‘Duistermaan’ en zijn bende. In een tweede versie van het filmpje heet de superheld ‘Star Man’ en doorspekt hij zijn taal met Engels: hij heeft een ‘backpack’ met ‘gadgets’ voor zijn strijd tegen ‘Darkmoon’ en zijn ‘gang’. Kinderen uit het eerste, derde en vijfde leerjaar kregen de twee filmpjes in willekeurige volgorde te zien en vulden daarna een vragenlijst over beide superhelden in. ‘Is hij slim?’ ‘Is hij grappig?’ ‘Zou je je snoep met hem delen op de speelplaats?’ En vooral: ‘Wil je naar meer filmpjes van Sterrenman of Star Man kijken?’

In het eerste en derde leerjaar gaan de antwoorden nog alle kanten uit. In het vijfde leerjaar zijn de resultaten ook nog uiteenlopend, maar wat opvalt: er zijn bijna geen kinderen meer die Sterrenman een hogere score geven dan Star Man. “Op die leeftijd beginnen ze ook expliciet naar de taal te verwijzen om hun voorkeur te verklaren”, zegt Eline Zenner. “Ze zeggen bijvoorbeeld: ‘Die kerel spreekt Engels, dus hij is toffer.’ Bij kinderen van die leeftijd begint het Nederlands dus wat prestigeverlies te lijden. We gaan nu onderzoeken hoe dat evolueert in de eerste jaren van het secundair onderwijs.”

Size matters

Vinden we die sociale betekenis van het Engels ook terug in de leenwoorden die we in onze woordenschat opnemen: gebruiken we Engels voor wat cool is en houden we Nederlands voor de saaie kost? Of wat maakt dat een Engelse term een hit wordt in het Nederlands?

Kranten zijn een dankbare bron om te achterhalen welke Engelse woorden het beter doen dan hun Nederlandse tegenhanger én om daar een systematiek in te ontdekken. Eline Zenner en haar collega’s gingen in 2012 aan de slag met een corpus van maar liefst anderhalf miljard woorden uit Vlaamse en Nederlandse kranten.

De belangrijkste succesfactor voor een leenwoord blijkt ‘lexicale leemte’ te zijn: als iets nieuw is in onze samenleving en nog geen naam heeft, is het handig als je er een al bestaand Engels etiket op kan kleven. ‘Workaholic’ en ‘webmaster’ kwamen zo stevig in het zadel te zitten voor ‘arbeidsmaniak’ en ‘webstekbeheerder’ ook maar een kans kregen. Een courante Nederlandse term voor een goed ingeburgerd concept wegduwen is heel wat lastiger: ‘businessman’ heeft het vooralsnog niet kunnen halen van ‘zakenman’. Een andere vaststelling: size matters. Engelse leenwoorden doen het goed als ze korter zijn dan de Nederlandse tegenhanger: ‘soulmate’ is sneller gezegd dan ‘zielsgenoot’, ‘hooligan’ is korter dan ‘voetbalvandaal’.

Engelse leenwoorden doen het goed als ze korter zijn dan de Nederlandse tegenhanger.

In een nieuw onderzoek met collega’s van UGent en VUB bekijkt Eline Zenner of ook de context waarin we woorden gebruiken een rol speelt. “We vragen Vlaamse en Nederlandse proefpersonen om telkens tussen een Nederlandse of een Engelse term te kiezen. ‘Welk van de twee vind je het meest geschikt voor een artikel in de krant?’ ‘Welk van de twee zou je gebruiken in een gesprek met vrienden?’ Het gaat dan om woordparen als ‘keeper’-‘doelman’, ‘babysitter’-‘kinderoppas’, ‘zakenman’-‘businessman’. We zijn de resultaten nog aan het verwerken, maar de context heeft duidelijk een invloed: mensen kiezen vaker de Engelse term voor een gesprek met vrienden dan voor een artikel in de krant.”

De shit is aan

Een stap verder dan woorden ontlenen uit een taal is ‘codeswitchen’. Dan ga je echt zappen tussen je moedertaal en de andere taal. Zo ver gaat de invloed van het Engels niet snel, stelde Zenner vast toen ze het taalgebruik in drie seizoenen van het realityprogramma Expeditie Robinson onder de loep nam. De deelnemers namen weleens wat Engels in de mond, maar van echt codeswitchen was amper sprake: het bleef veelal beperkt tot catchphrases als ‘Ready to rumble!’ en ‘Go for it!’

Het was ook één van de bevindingen in recenter onderzoek naar Engelse vloeken die Zenner vond in zes miljoen Vlaamse en Nederlandse tweets. Meestal ging het over woorden of frases die rechtstreeks uit het Engels overgenomen waren. De twitteraars vormen zelden eigen zinnen of taalmateriaal in het Engels. Met de ontleende woorden of uitdrukkingen sprongen ze dan weer wel vaak creatief om: van ‘Nu is de shit wel aan’ tot ‘The bitch is dead maar de teef bleef’.

In mijn onderzoek zie ik vaak dat er veel creativiteit opborrelt als twee talen samenkomen.

Eline Zenner vindt het een belangrijke vaststelling: “In het debat over verengelsing krijg je soms de indruk dat we talige luiaards zijn. Dat we Engelse woorden gebruiken omdat we te tam zijn om te bedenken hoe je het ook weer in het Nederlands zegt. Maar in mijn onderzoek zie ik vaak net dat er veel creativiteit opborrelt als twee talen samenkomen.”

Vitale taal

Als Zenner haar onderzoeksresultaten tot dusver overschouwt, maakt ze zich niet al te veel zorgen over de verengelsing van het Nederlands. “Ik zou wel recentere en meer robuuste gegevens willen verzamelen om echt een uitspraak te doen over bijvoorbeeld dat codeswitchen. Maar aan wie zich zorgen maakt over verengelsing ben ik geneigd te zeggen: chill. Ik heb natuurlijk geen glazen bol, maar ik denk niet dat het Nederlands op uitsterven staat.”

“Natuurlijk lopen de standpunten over hoe zuiver een taal moet zijn uiteen. Ik zie alleszins voldoende tekenen van een flexibel, maar vitaal Nederlands. Het blijft de identiteitstaal, die we gebruiken om onze kinderen op te voeden en te socialiseren. Die krijgt dan wel een Engels sausje, dat zeker. Is dat erg? Dat hangt dus af van hoe je naar taal kijkt.”