Ga verder na de inhoud
Over blauwkousen en blokbeesten: honderd jaar meisjesstudenten
De eerste meisjesstudenten verbleven, onder het waakzaam oog van kloosterzusters, in het Atrechtcollege of, zoals deze studentes uit academiejaar 1927-28, in de Sint-Geertrui-abdij.
© Universiteitsarchief
Universiteit

Over blauwkousen en blokbeesten: honderd jaar meisjesstudenten

Precies honderd jaar geleden deden de eerste meisjesstudenten hun intrede in Leuven.

3 minuten
16 februari 2021

1873. Isala Van Diest, dochter van een chirurgijn, wil zich inschrijven als studente geneeskunde, gesteund door een aantal professoren. Ze botst op weerstand van de Belgische bisschoppen, die de raad van beheer van de universiteit uitmaken. Ook rector Alexandre Namèche verzet zich hevig tegen de idee van een vrouw aan de medische faculteit. Van Diest weigert het voorstel om als vrij student fysiologie en verloskunde te volgen en zal uiteindelijk in Bern als arts afstuderen.

1920. Aan de universiteiten van Gent, Luik en Brussel worden meisjes al zo’n veertig jaar toegelaten. De Belgische bisschoppen, onder leiding van Kardinaal Van Roey, vrezen echter dat vrouwen met een universitair diploma hun taak als moeder en echtgenote zullen verzaken. Uiteindelijk zwichten ze toch, uit angst zieltjes te verliezen aan de niet-katholieke universiteiten. En omdat er leraressen nodig zijn voor de nieuwe hogere middelbare scholen voor meisjes. Rector Ladeuze voelt dat een grote meerderheid van zijn professorenkorps voorstander is. Aan de zijde van een hoogopgeleide man hoort een dito vrouw.

Ook in de aula zaten mannelijke en vrouwelijke studenten apart, zoals tijdens dit college anatomie bij professor Gerard van der Schueren in 1958.
Ook in de aula zaten mannelijke en vrouwelijke studenten apart, zoals tijdens dit college anatomie bij professor Gerard van der Schueren in 1958.
© Universiteitsarchief

Aparte coupés

Bij het begin van het academiejaar 1920-21 schrijven 39 meisjes zich in, onder wie zes buitenlandse. Ladeuze uit tijdens zijn openingsspeech de hoop dat ze zich ver zullen houden van beroepsuitwegen die ‘weinig in overeenstemming zijn met de normale functie die de natuur hen in de maatschappij aanwijst’. De meeste studentes kiezen voor een richting die naar het onderwijs leidt. Ruim 40% studeert aan de faculteit letteren en wijsbegeerte. Ook landbouwwetenschappen en farmacie zijn populair, en onder meer verpleegsters, vroedvrouwen en dochters van artsen trekken zich steeds minder aan van de mening van het universiteitsbestuur dat geneeskunde niets voor vrouwen is. Vanaf de jaren 30 studeren ook steeds meer meisjes rechten – vrouwen worden aan de balie toegelaten vanaf 1928, binnen de magistratuur echter pas in 1948.

Leuven telt in 1920 ruim 3.000 studenten. Het handjevol meisjes wordt ondergebracht in twee pedagogieën, het Atrechtcollege in de Naamsestraat en de Sint-Geertrui-abdij, onder het waakzaam oog van kloosterzusters. Na zeven uur moeten ze binnenblijven, en koffiehuizen en restaurants zijn verboden terrein. Het eerste jaar begeleiden de zusters de studentes in stoet naar en van de les, maar dat blijkt niet vol te houden. Vervolgens bepaalt het universiteitsreglement dat meisjesstudenten enkel in elkaars gezelschap of met familieleden op straat gezien mogen worden.

Ook in de aula’s worden de seksen van elkaar gescheiden: de jongensstudenten nemen plaats boven in het auditorium. Ze worden gevolgd door de paters en de nonnen, die op de rijen onder hen gaan zitten. Dan komt de prof binnen met de meisjesstudenten, die zich op de eerste rijen installeren. Zelfs in de trein zitten mannelijke en vrouwelijke studenten in aparte coupés. Naar verluidt bood de Standaard Boekhandel gelegenheid tot ontmoeting, maar over het algemeen stonden meisjes en jongens heel onwennig tegenover elkaar en was er vanuit de studenten weinig interesse voor die ‘blauwkousen’, die vaak van intimiderend goede komaf waren en heel ijverig studeerden. Rector Ladeuze kon niet anders dan tevreden zijn …

De Belgische bisschoppen vrezen dat vrouwen met een universitair diploma hun taak als moeder en echtgenote zullen verzaken.

Mannen in de minderheid

In 1930 maken meisjes zo’n vijf procent van de studentenpopulatie uit. Onder druk van buitenlandse studenten worden de reglementen wat versoepeld. Ouderejaarsstudentes huren nu ook kamers bij particulieren, al zullen kotbazen nog heel lang kamers voor ofwel jongens ofwel meisjes aanbieden.

Met de oprichting van facultaire studentenkringen begin jaren 30 wordt de omgang tussen meisjes en jongens ongedwongener, wat niet naar de zin is van het rectoraat. De vicerector ziet zich voortdurend genoodzaakt studentes te wijzen op welk gedrag er van hen verwacht wordt.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog telt Leuven 450 meisjesstudenten op een totaal van 4.600. Het is wachten tot de eeuwwisseling voor het aantal vrouwelijke studenten het aantal mannelijke evenaart en vervolgens overtreft.