Ga verder na de inhoud
Kortverhaal van Saskia De Coster: Mijn God
Universiteit

Kortverhaal van Saskia De Coster: Mijn God

Waarom ga je weg?”, hoor ik verderop in de gang. De gang is donker, zij licht haast op. Haar schaduw is langgerekt.

13 minuten
12 augustus 2021

“Waarom ga je weg?”, hoor ik verderop in de gang. De gang is donker, zij licht haast op. Haar schaduw is langgerekt. Even denk ik aan een film, een scène in een hotelgang met een spookachtige verschijning. Het meisje op lichtblauwe sandalen. Niet dat ik bijzonder op schoenen let, maar soms kan je er niet naast kijken. Dat hele gezin liep op dezelfde sandalen, die ene keer dat ik hen allemaal samen zag. Allemaal dezelfde lichtblauwe plastic sandalen. Zeven kinderen en hun ouders. Dat zijn negen paar sandalen, achttien sandalen. In de lift rook ik hun goedkope kokosshampoo, een overdreven geurspoor dat ze achterlieten. Ik stapte met hen uit en zag hen verdwijnen in het appartement naast het mijne.

Ik kan lang op bijna niets overleven maar er komt altijd een moment waarop de ijskast onherroepelijk leeg is. Helemaal leeg. Dat er zelfs geen allerlaatste restje mayonaise in de pot zit of geen korst brood in de broodzak. De buurtwinkel is het handigst. Dan ben ik snel terug. Ik weet niet precies waarom ik snel terug wil zijn. Alsof hier iets te bewaken valt. Het fort, het minifort van mijn appartement.

“Ik heb eten nodig”, zeg ik, zo gewoon mogelijk. Ik voel haar dichterbij komen. “Ik heb niets meer.” Ik sluit mijn deur af om naar de winkel te gaan. Ik heb een plastic tas op een propje in mijn hand.

Ze staat naast me. Ze ziet er nog erg jong uit maar dat kan aan haar kinderachtige lichtblauwe sandalen liggen en aan haar zwarte haren die in twee staartjes vastgebonden zijn.

Ze ziet er nog erg jong uit maar dat kan aan haar kinderachtige lichtblauwe sandalen liggen en aan haar zwarte haren die in twee staartjes vastgebonden zijn.

Ze blijft staan en kijkt me afwachtend aan.

“Waarom ga je van me weg?”, vraagt ze. Ik heb de afgelopen jaren veel gereisd, de vijf jaar tussen mijn afstuderen en nu heb ik volgereisd. Op mijn reizen ben ik veel mensen tegengekomen, de meest ongewone types, maar zij spant de kroon.

“Kom maar gewoon snel bij me terug”, zegt ze. Haar blauwe ogen glanzen.

Mijn rug jeukt. Ik moet me inhouden om niet te krabben. Ze daagt me uit. Ik wil haar spelletje wel meespelen.

Ik vraag me af of ze me al een hele tijd in de gaten houdt. Of ze gewacht heeft achter de deur tot ik een voet buiten mijn appartement zette. Ik glimlach haar toe, het vreemde meisje met de schoenen die zo banaal en goedkoop zijn, zomaar uit een grabbelton in de goedkoopste supermarkt van de stad, dat ze onvergetelijk zijn.

“Je kan langskomen”, zegt ze redelijk dwingend.

Er gaat een rilling door me heen, alsof mijn lichaam niet goed weet hoe te reageren op dit spel.

“Vanavond zes uur”, zegt ze en ze zweeft op haar lichtblauwe sandalen, met een vederlichte tred, terug naar haar voordeur en verdwijnt achter de deur.

Ik heb de afgelopen jaren veel gereisd, de vijf jaar tussen mijn afstuderen en nu heb ik volgereisd. Op mijn reizen ben ik veel mensen tegengekomen, de meest ongewone types, maar zij spant de kroon.

Op weg naar de winkel probeer ik me haar gezicht voor de geest te halen. Het lukt me niet. Sommige mensen moet je iedere keer opnieuw zien om je er een beeld van te kunnen vormen. Het vervaagt zodra ze weg zijn. Naar het schijnt hebben kappers en kassiers er ook last van, ze herkennen iedereen en niemand, omdat de hele wereld langs hen passeert. Voor even, of voor langer. Je moet al echt een blauwe bult op je hoofd hebben of drie ogen om een blijvende indruk achter te laten.

Sommige mensen blijven ongrijpbaar, hoe hard je ook probeert te kijken en ze in je op te nemen. Dat had ik bij haar. Ik was zo weg van haar dat ik iedere avond in bed probeerde haar gezicht op te roepen. Telkens als ik mijn ogen sloot, wilde ik haar beeld tevoorschijn dromen maar het lukte me niet. Alsof mijn geest geen beginpunt vond om te beginnen, geen detail om zich aan af te stoten tot in de stroom van de droom.

Sommige mensen moet je iedere keer opnieuw zien om je er een beeld van te kunnen vormen. Het vervaagt zodra ze weg zijn.

Gevoelens scheen ze niet te hebben. Ze reageerde op niets, ze was van niets of niemand onder de indruk. Niets wond haar op behalve spelletjes. Ik wilde zo graag indruk maken op haar maar zij was onaanraakbaar en onbereikbaar. Met een groepje vrienden maakten we muziek tijdens de vrije uren. We deden alsof we een bandje hadden maar er was nog niet eens een begin van een song. Toen zij erbij kwam, wist ik dat ik verloren was. Mijn gitaarspel was heel middelmatig. Daarmee zou ik het niet redden. Met mijn muziek kon ik me in geen geval doen opmerken. En ook niet met mijn looks. Ik was niet lelijk en niet mooi. Het was veel erger: ik was onopmerkelijk. Ik had geen kromme tanden maar ook geen parelwit gebit, ik was geen atleet maar ook geen dikke dwerg. Tussen de anderen verzonk ik in het niets. Mijn grapjes gingen verloren, mijn zinnen strandden halverwege of vervluchtigden in de sigarettenrook.

Op een dag vroeg ze me in de cafetaria of ik mee ging logeren dat weekend, in het huis van haar familie bij het bos. Dat was het moment in mijn leven waarop ik besefte dat ik een lichaam ben. Niemand zal het je ooit vragen, in geen interview met een bekende persoon kom je die vraag tegen, maar het is een van de belangrijkste momenten in je leven. Het moment dat je beseft dat je een lichaam bent. Het meisje nodigde me uit en mijn lichaam werd wakker uit een levenslange winterslaap. Het zou te simpel zijn om te zeggen dat het aan seks dacht. Opgewonden was ik zeker wel. Mijn lichaam en mijn geest daverden. Het viel niet te verklaren dat ze aandacht voor me had. Ik was in de wolken dat ze me meevroeg en dat we wellicht met de hele vriendengroep een weekend zouden doorbrengen.

Ik was niet lelijk en niet mooi. Het was veel erger: ik was onopmerkelijk.

Die vrijdagavond stond ik met mijn sportzak bij de bushalte, moederziel alleen, stampvoetend van de koude, een half uur lang. Net toen ik dacht dat mijn vrienden een grap uithaalden of allang vertrokken waren, kwam zij als enige aangesjokt. Ze had enkel mij uitgenodigd, tot mijn verrassing. Het was schemerdonker toen we aankwamen bij het afgelegen huis aan de rand van het bos.

Mijn lichaam voelde elektrisch geladen toen ze de deur voor me open zwaaide en me rondleidde in het grote huis. In ieder vertrek waren de meubels ingepakt in plastic. Het huis was vol leven geweest. Er waren veel kleine kamertjes, voor alle kinderen. Er hing nog iets in de lucht van de overkokende drukte, de zindering van een bijennest vol kinderen en volwassenen die overdag in de natuur de tijd zoekmaakten en ‘s avonds rond de grote vuurkuil in de tuin zaten, waar als de sporen van een paddestoel zitjes rond gezaaid waren. Binnenshuis tikten de pootjes van de kat nog eenzaam op de uitgesleten parketvloer, in de keuken hingen achter plastic vijftien melkkoppen aan ijzeren haakjes te wachten. Onder de plastic zeilen leefden de voorwerpen verder. Los van haar en mij. Ik vond het een voorrecht om hier met haar te staan, al hoorde ik mijn hartenklop tegen de ramen. Ze merkte er niets van, hoe ik langzaam slappe benen kreeg en me steeds meer achter haar verschool tijdens de rondleiding door het merkwaardige huis. Ik was bang van haar verwachtingen. Het was al erg laat en aardedonker.

Ze waren hier iedere zomer geweest. Tot het ophield. Af en toe kwam ze hier nog op haar eentje overnachten, vertelde ze. Ze maakte dan lange tochten in het bos. Ik was doodmoe maar ik wilde meer horen. Ik onderdrukte een geeuw. Prompt wees ze mij de kamer waar ik kon slapen, keurig aan het einde van de gang. Ze was niet beledigd, ze was niet blij, ze liet nooit iets merken. Behalve toen ze de deur achter me dichttrok. Toen knipoogde ze en zei ze dat ik bij haar mocht slapen als ik bang was. Ze lag in de kamer naast me. De deur was al dicht voor ik iets kon zeggen.

Huis MG 6094s web

Ik stond daar maar, achter de gesloten deur, naast mijn sportzak. Ik voelde me een acteur met te weinig tekst in een slechte film. Haar stem weerklonk. Ze riep. “Kom bij me liggen”, riep ze. Gewoon die zin, door haar lichaam uitgesproken, joeg me de stuipen op het lijf. Ik wilde het zo graag dat ik bevroor, zo leek het wel. Ik kon geen stap verzetten, geen vin verroeren. Ik schaam me trouwens om dit te vertellen.

De hele verdere nacht wandelde mijn geest over de muren en mijn lichaam was schijndood. Ik stond daar stokstijf, armen recht naast mijn romp. Ijskoud en bewegingsloos ging ik ten onder in de nacht.

En toen hoorde ik iets. Het kwam van buiten. Amper durfde ik het aan om naar het raam te gaan. Daar beneden in de diepte was beweging. Een hele groep schaduwen dwaalde tussen de sparren net achter het huis. Vele mensen, een hele clan. Ik wist dat zij in de kamer naast me lag, maar tegelijkertijd zag ik haar daar beneden in de kuil liggen. Zij was daar buiten samen met de anderen aan het spelen. Ze lag in een kuil in de zandgrond, anderen graaiden met hun handen als scheppen en bedekten het lichaam tot het enkel met het hoofd er nog bovenuit kwam. Het was te onmogelijk voor woorden. Zij waren spoken, geesten van mensen, die hier ‘s nachts samen kwamen om te spelen. Die nacht heb ik hooguit een uurtje geslapen, in mijn kleren, bovenop het in plastic verpakte bed. Toen ik wakker werd, voelde het alsof er naalden van sparren in mijn lichaam en in mijn ogen hadden geprikt.

Die ochtend zei ze geen woord over de afgelopen nacht. Ze nam me mee naar buiten. De dauw hing in het wilde gras, de vogels kwetterden luid. Maar er klopte iets niet. Een kilte hing in de lucht, lange slangen klimop wurgden de bomen in de grote achtertuin. Het was een beschermd bos, vertelde ze, en ze leidde me omlaag de diepte van het bos in. Bij een natuurlijke kuip vol aarde wees ze: dit is een moeras, een hele familie is hier verdronken. Ik draaide me om en zag het raam van de kamer waar ik gisteren had geslapen. Dit was de precieze plek. Een gruwelijke echo van wat ik gezien of gedroomd had.

Die maandag verscheen ze niet op school en hoorde ik van de directeur dat de familie halsoverkop verhuisd was. Het was een schok waar ik met niemand over sprak. Niemand wist dat ik mijn lichaam niet meer kon vertrouwen sinds die rare nacht in het huis van haar familie. Je kan heel veel verbergen, dat heb ik toen geleerd. Ook dat is een spel.

Jarenlang heb ik zo hard geprobeerd om haar tevoorschijn te denken. Ik weet dat alles wat gebeurd is, voor eeuwig is. Gewoonweg omdat het gebeurd is. Er is geen weg terug. Omdat wij mensen zo zijn dat we een hart hebben en denken dat het een plaats is om onze herinneringen in te bewaren. Omdat we niet anders kunnen. Er komt geen licht binnen in het binnenste van je lichaam, het klopt en hamert en doordat het hart kabaal maakt weet je dat je bestaat.

Die ochtend zei ze geen woord over de afgelopen nacht. Ze nam me mee naar buiten. De dauw hing in het wilde gras, de vogels kwetterden luid. Maar er klopte iets niet.

Sommige mensen blijven ongrijpbaar, hoe hard je ook probeert te kijken en ze in je op te nemen. Ik denk aan het meisje met de lichtblauwe sandalen en ga naar de winkel en verlummel de rest van de dag met de gedachte dat ik het meisje met de lichtblauwe sandalen zal volgen naar haar slaapkamer. Ze daagt me uit.

Niets is dringend, de avond komt er wel, of ik nu iets nuttigs doe of niet. Misschien kan ik een geschenkje meenemen maar wat dan? En in ons spel kom ik toch gewoon heel even langs om dag te zeggen tegen het meisje met de lichtblauwe sandalen. Ik zal haar op haar bed duwen. Misschien heeft het meisje me wel uitgenodigd maar weten haar ouders van niets en willen ze me er helemaal niet.

Om klokslag zes uur trek ik de deur van mijn appartement achter me dicht. Ik kijk naar mijn voeten. Ze brengen me naar de buren. De deur gaat open en daar staat niet wie mijn lichaam verwachtte. Het is een fractie van een seconde heel verwarrend, de oudere versie van het meisje. Ze verwelkomt me hartelijk en luid. Aan de arm leidt ze me mee naar binnen, zo vanzelfsprekend. Het appartement zit bomvol leven, langs alle kanten is er activiteit. In de woonkamer is het allereerste wat me opvalt de geur. Ik herken de geur van die ene keer in de lift. De geur waarvan ik dacht dat het goedkope shampoo was, alsof het hele gezin alles deelde, samen onder de douche stond ook.

Voor een groot plasmascherm zitten vijf kinderen. Voor de rest staan overal dozen en meubels die ingepakt zijn in plastic. Even vraag ik me af of ik niet beter zeg dat het een vergissing is en dat ik later wel eens terugkom. Als antwoord geeft ze me een bord met koekjes. Dat is de geur. Het is geen shampoo, het zijn de koekjes, zoet en geurend naar kokos. Ze vertelt me dat ze op het punt staan te vertrekken, naar Texas, en dat ze mij, hun buurman, toch eens wilden bedanken en uitnodigen voor ze verhuizen.

Sommige mensen blijven ongrijpbaar, hoe hard je ook probeert te kijken en ze in je op te nemen.

Zwijgend zit ik daar op de sofa, met een bord koekjes op schoot. Ze zitten samen zwijgend voor de televisie. Te dromen of te wachten. De kinderen op lichtblauwe sandalen dollen een beetje met elkaar. Mijn hart klopt onstuimig. Onverklaarbaar zijn de zaken van het hart, en het lichaam rond dat hart dat alle kanten op danst.

Dankzij de satelliet die ze mogen aftappen van de buren boven hen, voor die dag dat ze hier nog zijn, kunnen ze rechtstreeks verbinding maken met hun broeders en zusters in Texas. Samen kijken we naar de wedergeborenen aan de andere kant van de oceaan, in hun feestelijke bonbondoos van een kerk.

Alsof ze een perfect ingestudeerde dans uitvoeren, zo knielen de mensen in lichtblauwe sandalen neer voor de televisie, met uitgestoken handen, naar de lieve barmhartige God, om hem door het scherm de kamer in te trekken en in hun midden te ontvangen. Het hele gezin zit voor de televisie op de knieën. Ze besteden geen aandacht aan me. Ze zijn smal en beweeglijk, een school zilvervisjes onder water.

Ik zit op de rugleuning van de sofa en kijk in de leegte naar beneden. Ik kijk naar hen, ik ben de buitenstaander. Zij zit aan mijn voeten. Ik weet nu wel zeker dat het meisje me niet zal meenemen naar haar kamer.

Als je op straat door iemand op de voet gevolgd wordt, en die blijft je maar volgen, je hebt al een paar keer over je schouder heen gekeken maar het helpt niet, dan moet je soms gewoon abrupt stilstaan en die laten verdergaan. Zo denk ik daar, zittend op de sofa, dat ik het verleden moet laten voorgaan, het meisje op de lichtblauwe sandalen zal ook verdwijnen, in haar eigen wereld. Er daalt een rust over me neer, door hier te zitten bij wildvreemden die rare rituelen uitvoeren, met een bord koekjes op schoot.

Alsof ik nu weet hoe ik verder moet leven, maar het is nog zo vaag en ijl dat ik het niet kan vastgrijpen. Misschien zijn woorden er niet tegen bestand.

Ook gepubliceerd in...

Sonar

Zomer 2021