Ga verder na de inhoud
Hoe covid-19 de sportwereld financieel nekt
Onderzoek

Hoe covid-19 de sportwereld financieel nekt

Professor sporteconomie Wim Lagae bespreekt de impact van slinkende sponsorinkomsten en sportwedstrijden zonder publiek.

6 minuten
10 september 2020

Belgische kijksporten krijgen rake economische klappen te verduren. De slepende coronapandemie katapulteert de sportwereld zo’n vijftien jaar terug in de tijd. Professor sporteconomie Wim Lagae bespreekt de impact van slinkende sponsorinkomsten en sportwedstrijden zonder publiek.

“De voetbalsector wordt ongezien getroffen door de coronacrisis”, zegt professor Wim Lagae. “Heel wat inkomsten verdampen, terwijl de uitgaven nagenoeg gelijk blijven.” Doordat wedstrijden noodgedwongen achter gesloten deuren moeten plaatsvinden, sneuvelen inkomsten uit abonnementen, tickets, hospitality, catering en offline merchandising.

Op vlak van reguliere inkomsten moeten teams daardoor ook inboeten aan sponsoring: “Wedstrijden zonder hospitality en vip-formules zijn een pak minder aantrekkelijker voor sponsors, die bovendien zelf economische hinder ondervinden door de coronamaatregelen. Commerciële afdelingen van voetbalclubs hebben sponsorcontracten kunnen behouden door bijvoorbeeld lopende contracten te spreiden over langere periodes.”

Terwijl inkomsten uit wedstrijddagen in elkaar stuiken, biedt een contract met de nieuwe betaalzender Eleven Sports tegengewicht. “Wat de voetbalsector atypisch maakt, is dat het over een mediarechtenbuffer beschikt”, zegt professor Lagae. De komende vijf jaar zal Eleven Sports het Belgisch voetbal zo’n 103 miljoen euro per seizoen toestoppen. “Dat is bijna twintig miljoen meer dan wat vorige rechtenhouders Proximus, Telenet en VOO Sports boden.”

Huren en verhuren

Professionele voetbalclubs steunen naast reguliere opbrengsten ook op uitzonderlijke inkomsten. Zo krijgt wie zich tot landskampioen bombardeert een toegangsticketje tot de Champions League. “Als je daar behoorlijk speelt, verdien je al vlug dertig miljoen euro extra”, zegt professor Lagae. “Voor topclubs die over vijftig à zestig miljoen euro budget beschikken, is dat natuurlijk gigantisch.”

Wat niet louter voor de landskampioen is weggelegd, zijn winsten op transferdeals. Maar de coronacrisis installeert volgens professor Lagae een watervalsysteem op de transfermarkt: “Buitenlandse topclubs bepalen, zoals altijd, de dans op de markt. Maar ook zij verliezen reguliere inkomsten, waardoor ze voorzichtiger aankopen. Daardoor staat de vraag naar Belgische topvoetballers momenteel op een laag pitje.”

De exponentiële groei en zelfs oververhitting van de internationale transferactiviteit wordt dus bruusk een halt toegeroepen. Onlangs verkocht AA Gent topspeler Jonathan David aan Rijsel voor een recordbedrag van 32 miljoen euro: “Zulke transfers worden steeds zeldzamer. Dit seizoen zal er veel meer gehuurd en verhuurd worden”, voorspelt professor Lagae.

De voorbije jaren bleef de voetbalsector alleen maar groeien. Dat soort excessen verdwijnt nu.

Wet van de sterkste

Kleinere voetbalclubs worden des te harder getroffen door de pandemie. Voor die clubs ligt de kans op uitzonderlijke inkomsten een stuk lager en ook hun aandeel in mediarechten verbleekt bij dat van grotere profclubs. “Daar komt nu de extra kost van coronatesten bij”, zegt professor Lagae, “en die weegt net iets zwaarder door voor kleine clubs.”

Ook makelaars en spelers mogen zich bij de grootste verliezers rekenen: slinkende budgetten betekenen lagere lonen en tekengelden voor nieuwe spelers. Brede kernen van 29 voetbalspelers worden afgeslankt naar 23 spelers per club. Makelaars worden ondertussen geconfronteerd met een gekrompen transferactiviteit: “Werkloze profvoetballers staan te drummen om bij een club aan boord te geraken. Bij nieuwe contracten verschuift daardoor de onderhandelingsmacht van makelaars naar de financiële directeurs van voetbalteams.”

Catch-22

Volgens professor Lagae legt de crisiscontext bestaande pijnpunten bloot. “De voorbije jaren bleef de voetbalsector alleen maar groeien: schrokkerige makelaars waren niet te stoppen en transferonderhandelingen mondden uit in casinokapitalisme”, zegt professor Lagae. “Dat soort excessen verdwijnt nu.”

Voetbalclubs blijken ook allesbehalve schokbestendig: “Clubs rekenen erop dat tekorten worden gecompenseerd door financiële doping en inkomsten uit transfers. Zo’n economisch model houdt natuurlijk enorm veel risico’s in”, stelt professor Lagae. “Onvermijdelijk gaan een aantal clubs in financiële problemen komen. Ze leven al een tijdje boven hun stand en kunnen daardoor geen onverwachte schokken opvangen.”

Bovendien dreigt een verlies aan overheidsondersteuning: “Post-corona zal de overheid haar rekening maken en een kerntakendebat gaan voeren”, stipt professor Lagae aan. “Dat is gevaarlijk voor de Belgische profvoetbalsector, want die wordt allang overgesubsidieerd.” Zo vertalen lage sociale socialezekerheidsbijdragen en recuperatie van bedrijfsvoorheffing zich voor clubs in een jaarlijks voordeel van bijna 160 miljoen euro. “Die forse subsidiëring zat al op de schop en gaat door een volwaardige regering misschien wat sneller aangepakt worden.”

Een positief langetermijneffect van de coronacrisis zoekt professor Lagae bij de jeugdwerking. Onder druk van een gekrompen budget zullen doorstromingsquota wellicht ernstiger genomen worden: “Beloften die vroeger nooit een kans kregen omdat clubs voor een onmiddellijk rendement kozen, gaan nu misschien wel kunnen doorstromen”, denkt professor Lagae.

Hoe kunnen voetbalclubs zich wapenen tegen toekomstige schokken? “De economische draagkracht van clubs kan vergroot worden door bijvoorbeeld verplichte financiële reserves en strengere Financial Fair Play-regels op te leggen.” Maar dat is volgens professor Lagae een ‘catch-22’: “Een club die na een sportief minder seizoen plots degradeert, belandt in een financiële hel. Ze moeten dus bezuinigen, maar willen tegelijkertijd niet op de zeventiende of achttiende plaats stranden.”

Tour De France

Broos businessmodel

Waar het voetbal over een waaier aan diverse inkomsten beschikt, is de Belgische wielersport voor maar liefst 95 % afhankelijk van sponsorgeld. “De budgetten zijn de jongste twintig jaar gestegen, maar het businessmodel van wielrennen blijft fragiel.” Naast een tikkeltje merchandising en wat startgelden, draaien ploegen volledig op twintig à dertig sponsormerken, waarvan één of twee titelsponsors.

“Door de coronacrisis wordt sponsoring in heel wat bedrijven niet langer als een investering, maar als een kost beschouwd”, zegt professor Lagae. En als een titelsponsor klappen krijgt, wankelt ook het gesponsord wielerteam. Begin deze zomer werd de hoofdsponsor van het vroegere WorldTour-team van Greg Van Avermaet, de Poolse schoenenfabrikant CCC, onderuitgehaald door de gevolgen van de coronapandemie. “CCC is er niet in geslaagd om nieuwe sponsors aan te spreken, dus daar valt al een eerste groot team weg.”

“Wereldwijd dalen inkomsten uit sponsoring met gemiddeld 25%. Dus de wielersponsoring zou wellicht een gelijkaardige economische tik kunnen krijgen.” Daardoor moeten ook renners verliezen slikken: uit een enquête van rennersvakbond Sporta blijkt dat het merendeel van de profrenners tijdens de lockdownmaanden gemiddeld 30 % van hun loon hebben ingeleverd.” Die impact laat zich ook voelen bij nieuwe contracten: profrenner Thomas De Gendt heeft bijvoorbeeld onder mindere voorwaarden bijgetekend bij Lotto-Soudal.

De Ronde van Frankrijk is goed voor twee derde van de economische waarde van een volledig wielerseizoen. “Gelukkig mag de Tour dus starten op 29 augustus”, zegt professor Lagae. “Dit jaar zonder vipruimtes, publiciteitskaravaan en Village Départ, maar de Tour kan wel tegen een stootje.”

Voor dames- en jeugdwielrennen zal de coronaschok langer nazinderen. Voor de crisis waren diverse WorldTour-teams bereid om te investeren in een volwaardig damesteam. “Door de crisis zou het kunnen dat die evolutie afgeremd wordt. Ook jeugdwielrennen valt stil: de motor achter jeugd- en lokale competities zijn cafés met veel trafiek.”

Doodsteek

Vergeleken met ‘Koning Voetbal’ en wielrennen krijgen sporten zoals basket- en volleybal nauwelijks exposure. “Voetbal is een ongelofelijke kannibaal: daardoor zitten klassieke zaalsporten al vijftien jaar in een dalende flow”, stelt professor Lagae. Een inperking van het cafétariagebeuren en een bruisende zaalambiance geeft mogelijk de doodsteek aan onderbelichte sporten: “Ik vrees voor een versnelling van diverse falingen, waardoor ook spelers en speelsters fors gaan moeten inleveren. Bij binnensporten kan de crisis echt eindigen in een bloedbad.”