Ga verder na de inhoud
Emeritus professor Marc Waelkens (1948 – 2021): “Ik heb een fantastisch leven gehad”
Diepte-interview

Emeritus professor Marc Waelkens (1948 – 2021): “Ik heb een fantastisch leven gehad”

Zijn naam zal altijd onlosmakelijk met Sagalassos verbonden blijven. Emeritus professor Marc Waelkens blikt terug op een rijkgevuld bestaan.

8 minuten
27 oktober 2020

Zeven jaar is professor Marc Waelkens intussen al met emeritaat. Al die jaren bleef zijn levenswerk, de opgraving en wederopbouw van de antieke stad Sagalassos in West-Turkije, hem na aan het hart liggen. Vandaag laat zijn gezondheid hem in de steek maar: “Je zal me niet horen klagen. Ik heb heel veel geluk gehad in mijn leven.”

Wanneer wist u dat u archeoloog zou worden?

“Toen ik zes was. In Robbedoes had ik een stripverhaal gelezen over Heinrich Schliemann, de negentiende-eeuwse ontdekker van Troje, die als kleine jongen tegen zijn vader zei dat hij later zou bewijzen dat de steden waarover Homeros het had, echt bestaan hadden. Ik was zo onder de indruk dat ik naar mijn eigen vader ging en zei dat ik als ik groot zou zijn ook opgravingen wilde doen, en ook in Turkije.”

“De strip hangt ingekaderd boven mijn bureau, een geschenk van de studenten bij mijn emeritaat. Straf hoe een verhaaltje van vier pagina’s een toekomst kan bepalen…. Ik heb mijn hele leven ingericht in functie van die droom. Ik ben in Gent gaan studeren, iets wat destijds niet evident was voor een jongen uit een West-Vlaams college, omdat dat de enige Belgische universiteit was met een opgraving in Turkije. De eerste keer dat ik mee mocht als student was dat een coup de foudre… Al mijn verwachtingen kwamen uit. Turkije was toen veel exotische en oriëntaalser dan vandaag, en tegelijk veel minder conservatief en veel kosmopolitischer.”

Hoe bent u in Sagalassos terechtgekomen?

“Na mijn doctoraat nam ik jarenlang deel aan internationale opgravingen in Syrië, Griekenland en ook Turkije. Begin jaren ’80 raakte ik bevriend met Stephen Mitchell, die voor het British Institute in Ankara werkte aan het Pisidia project. Dat had tot doel de zichtbare antieke overblijfselen in die regio in het Taurusgebergte te registreren. Rond die tijd begon men omwille van het toerisme namelijk met de aanleg van wegen van het binnenland naar de kust, waarbij heel wat resten bloot kwamen te liggen en beschermd moesten worden. Ik herinner me nog goed de dag waarop we de site van Sagalassos voor het eerst bezochten, op 23 augustus 1984, om half acht ’s ochtends. In de bijna twintig jaar dat ik opgravingen deed, had ik nooit eerder zoiets gezien. Omdat de stad bovenop een bergtop ligt, en er geen wegen naartoe leidden, was de site totaal ongerept. De verlaten stad lag bedolven onder meters erosiepuin, zodat alle overblijfselen als het ware verzegeld waren. We troffen een bijna intact theater met zevenduizend zitplaatsen aan, restanten van tempels en thermen, een deel van het stratenpatroon was zichtbaar… Overal lagen stukken glas, keramiek en munten, we durfden onze voeten haast niet neer te zetten. Ik was er ondersteboven van.”

“Nadat we een tweetal jaar hadden geregistreerd wat aan de oppervlakte zichtbaar was, mocht ik opgravingen doen onder de vleugels van het museum van Burdur. Ik had inmiddels een pottenbakkerswijk ontdekt, waaruit bleek dat Sagalassos een groot productiecentrum van keramiek was geweest. In 1985 was ik ook van Gent naar Leuven gekomen. In 1990 kreeg ik met de steun van Mitchell een persoonlijke vergunning van de Turkse autoriteiten om de site op te graven. Enkele jaren later kwam daar de verplichting bij om ook de regio te betrekken, meer dan 12000 vierkante kilometer. Zodoende hebben we van in het begin de stad bekeken in haar ruimere omgeving.”

Waelkens MG 7474s hori web

Wat boeit u zo aan archeologie?

“Veel mensen denken bij archeologie aan schatten opgraven à la Indiana Jones. Maar daar gaat het niet om. Archeologie probeert een maatschappij te reconstrueren in al haar aspecten: economie, religie, politiek, milieu, voeding, artisanale productie … Het is te vergelijken met een detectiveroman. Met elke vondst die je doet, met elke bladzijde die je omslaat, moet je je hypothese bijstellen. Het verschil is: voor een archeoloog zullen er altijd vragen open blijven, omdat je maar over een deel van het materiaal beschikt. Net dat maakt het zo boeiend.”

“In Sagalassos vind je informatie over àlle aspecten van de maatschappij destijds en dat is hoogst uitzonderlijk. Sites die makkelijker toegankelijk zijn, zijn door de eeuwen heen geplunderd voor bouwmaterialen. In Sagalassos was er, op wat zuilen na, die naar beneden waren gerold, niets verdwenen. Maar logistiek gesproken was het natuurlijk een gigantische uitdaging om daar als eerste te beginnen graven. De site was niet voor niets nog ongerept. Er was geen elektriciteit, geen water, geen telefoonverbinding… De eerste jaren moesten we met de landrover de berghelling oprijden. Aanvankelijk verplaatsten we blokken steen op boomstammen. Later schakelden we arbeiders uit de fabrieken in de omgeving in om materiaal te maken, zoals onderdelen voor katrollen. Aanvankelijk werd dat allemaal zeven kilometer naar boven gedragen. Vrachtwagens kwamen er pas toen we na enkele jaren wegen hadden aangelegd met opgravingspuin.”

Sagalassos wordt beschouwd als een modelopgraving…

“Er zijn weinig of geen opgravingen waar men van in het begin zo snel is gaan restaureren … en dat op een verantwoorde manier. Als er geen 80 of 85 procent van de oorspronkelijke bouwelementen resteren, beperken we ons tot conserveren wat er is. En als we restaureren gebruiken we daarvoor blokken die we zelf kappen op de manier van weleer. We hebben lokale arbeiders, gewone boerenjongens, daar speciaal voor opgeleid. We zorgen er ook voor dat wat we restaureren solide blijft voor de eeuwigheid, en zelfs aardbevingsproof is – ook dat is eigenlijk uitzonderlijk.”

“Ook bijzonder is dat er van bij het begin zoveel disciplines betrokken zijn bij het Sagalassosproject. Dat was destijds helemaal niet gebruikelijk in de klassieke archeologie; enkel in het prehistorisch onderzoek. Zoölogen en geologen, botanici, antropologen, geomorfologen die de landschapsvorming bestuderen … Denk aan analyseren wat er in de keramieken voorwerpen bewaard heeft gezeten, boringen doen, stuifmeelvallen plaatsen om de moderne vegetatie met de antieke te vergelijken, met drones nagaan wat er zich tussen de vegetatie bevindt, met radar meten wat er onder de grond bedolven zit…”

Sagalassos was uw levenswerk, waar u zich veel inspanningen en opofferingen voor hebt getroost…

“Dat was ook nodig. Elke zomer waren we daar met meer dan honderdvijftig man van over de hele wereld: studenten, wetenschappers uit twaalf verschillende disciplines, arbeiders … Je hebt natuurlijk een hele ploeg die dat mee in goede banen leidt maar je bent wel het aanspreekpunt voor alle grote en kleine problemen, op professioneel maar ook privégebied. En er komt van alles bij kijken, zo moet je bijvoorbeeld elke seizoen een paar miljoen kleine objecten op de juiste manier behandelen en stockeren. Ik herinner me dat ik één zomer iedereen zelf naar boven vervoerd heb, zeven kilometer de berg op. 7000 km heb ik toen afgelegd op twee maanden tijd.”

Mensen zeiden me soms dat ik moest leren genieten. Maar dat héb ik gedaan. Werken was nooit een karwei voor mij.

U was de eerste binnen Humane Wetenschappen met een Geconcerteerde Onderzoeksactie , de eerste met een Interuniversitaire Attractiepool en de eerste met een Methusalemproject.

“Ik was de eerste die zulke grote projectaanvragen durfde te doen. Maar ik heb daarbij zoveel steun en aanmoediging gekregen. Emma Vorlat, André Oosterlinck, Herman Vanden Berghe, Yvan Bruynseraede… Zonder hen was Sagalassos er nooit geweest. Want in tegenstelling tot buitenlandse archeologen moesten wij onze middelen voor opgravingen of onderzoek via projectfinanciering zien te krijgen. Op den duur besteedde ik vier tot vijf maanden per jaar aan het schrijven van rapporten en projectaanvragen. De conservatie of heropbouw van gebouwen wordt niet als wetenschappelijk onderzoek beschouwd dus daarvoor moest ik elders geld zien te vinden: ik klopte aan bij banken en verzekeraars en welstellende families. Ik heb ook zo’n 800 lezingen gegeven om geld in het laatje te brengen, zelfs de brandstof voor mijn auto betaalde ik zelf. Het ging altijd maar door, maar ik deed dat ook graag. Een geslaagd weekend betekende voor mij: met Sagalassos bezig zijn. Mensen zeiden me soms dat ik moest leren genieten. Maar dat héb ik gedaan. Werken was nooit een karwei voor mij.”

“Toch werd het op den duur wat veel allemaal. Ik was ook een viertal jaar voorzitter van de Onderzoeksraad. En daarnaast gaf ik natuurlijk les, op het einde zo’n twintig uur per week, en de laatste jaren moest ik zowat ieder jaar voor een nieuwe cursus zorgen – ik zat elke nacht tot drie uur powerpoints te maken. Eén avond ben ik in slaap gevallen achter het stuur en realiseerde ik me dat ik toch wat gas moest terugnemen. Uiteindelijk was ik blij dat ik met emeritaat mocht, ook al gaf ik zeer graag les. Vanaf dan heb ik me enkel nog beziggehouden met wat me het meest blij maakte. Publiceren over Sagalassos doe ik nog altijd.”

U hebt heel wat erkenning gekregen. De Solvay-prijs, u bent geridderd… En ook in Turkije is men u zeer erkentelijk.

“Op de dag dat ik afscheid nam als opgravingsdirecteur hebben de arbeiders me in een pick-up naar beneden gebracht, en in de straten van het dorp rondgereden, in een konvooi, onder begeleiding van een orkestje, net zoals men daar doet met een bruidspaar. Dat was een heel ontroerend moment.”

“Nu ze weten dat ik terminaal ziek ben, hebben Turkse collega’s een boekje samengesteld dat een overzicht geeft van mijn werk en mijn publicaties. Het is opgedragen aan Marc Bey, zoals ze me daar noemen – bey is een titel die tegelijk respect en grote familiariteit uitdrukt – ‘with gratitude for exemplifying how archaeological projects should be’. Sagalassos wordt daarin de benchmark van de moderne archeologie genoemd.”

”Ik heb een lastige noot te kraken, nu ik ziek ben, maar je zal me niet horen klagen: ik heb een fantastisch leven gehad. Ik ben blij dat ik daar nu in mijn laatste maanden zo op kan terugkijken, dat is niet iedereen gegund. Ik heb heel veel geluk gehad…”