Ga verder na de inhoud
De wetenschap achter angst
Onderzoek

De wetenschap achter angst

Zowat een kwart van alle mensen krijgt in zijn of haar leven te maken met een angststoornis.

4 minuten
16 december 2019

Zowat een kwart van alle mensen krijgt in zijn of haar leven te maken met een angststoornis. Dat kan gaan van een dierenfobie - zoals bang zijn voor spinnen -, tot claustrofobie, sociale angst of een posttraumatische stressstoornis. Maar hoe komt het dat iemand die gebeten wordt door een hond bang wordt van álle honden? De klinische psychologen van KU Leuven onderzoeken hoe gezonde angst kan verworden tot een ziekelijke angst die het leven verstoort.

Angst is op zich niet abnormaal: het helpt om het gevaar en het negatieve uit ons leven te bannen. Maar het wordt problematisch als angst je gewone leven bemoeilijkt. “Als je gebeten wordt door de agressieve hond van de buren, is het normaal dat je bang bent bij een volgende ontmoeting. Maar we spreken van een angststoornis als je nergens nog durft te wandelen omdat je bang bent geworden van alle honden. Als je zaken uit je leven schrapt omwille van die angst, dan heeft dat gevolgen voor je welzijn, je familie en vrienden, je job ... Angststoornissen hebben een grote maatschappelijke kost”, vertelt professor Dirk Hermans van het Centrum voor Leerpsychologie en Experimentele Psychopathologie.

Dat zo’n problematische angst kan ontstaan, heeft te maken met het fenomeen generalisatie: “Dat betekent dat je angst uitdijt: je wordt niet alleen bang voor de oorspronkelijke bron van je angst, maar voor een heleboel andere zaken die erop lijken. Bijvoorbeeld: je wast je handen omdat je net een bus onkruidverdelger vasthad en bang bent voor besmetting. Niet zo vreemd, maar het loopt mis als je na een tijdje dwangmatig je handen gaat wassen, omdat je angst zich niet meer beperkt tot dat specifieke product en je intussen ook bang geworden bent voor schoonmaak- of verfproducten. Het heeft dus niet te maken met hoe intens je angst oorspronkelijk was, maar wel met hoe die angst zich als een olievlek verder verspreidt.”

Uitdoven

Dat de angst algemeen wordt, hoeft op zich nog geen probleem te zijn: “Angst kan weer uitdoven, soms zelfs heel snel. Dat noemen we extinctie. Je kan na een vlucht met veel turbulentie angstig zijn geworden in het vliegtuig. Maar als je het nog een tweede keer probeert, ervaar je meestal dat het allemaal wel meevalt. Je leert dat het niet altijd slecht hoeft uit te draaien. Dat hangt ook samen met een ander mechanisme: vermijdingsgedrag. Als je bepaalde situaties vaker vermijdt, ga je minder leren dat het wel meevalt. Hoe meer vermijding, hoe minder extinctie en hoe meer generalisatie. Die drie fenomenen haken op elkaar in. Dat is het probleem bij mensen met angststoornissen.”

Het goede nieuws is dat leerprocessen de basis van een angststoornis vormen. En wat je kan leren, is doorgaans ook weer omkeerbaar. “Als je een proefpersoon tijdens een experiment telkens een licht elektrisch schokje geeft bij het zien van een cirkel, dan leert die proefpersoon bang te zijn van de cirkel. Maar als je later cirkels laat zien zonder dat er een schokje aan te pas komt, dan neemt die angst doorgaans ook snel weer af. Dat is precies wat er bij extinctie gebeurt. En dat brengt ons meteen tot een behandeling: als je jezelf blootstelt en jezelf confronteert met de bron van je angst, kan je leren dat angst niet nodig is.”

Lijdensweg

Je hoeft dus niet met een angststoornis te blijven zitten: “De meeste angststoornissen verdwijnen niet spontaan, vaak is er therapie nodig. Maar niet iedereen zet die stap zomaar. Wist je dat patiënten gemiddeld tien jaar met een angststoornis rondlopen vooraleer ze in behandeling gaan? Dat is een hele lange lijdensweg, als je weet hoe eenvoudig het soms kan zijn om te helpen.”

In sommige gevallen kan een behandeling zelfs op een paar uur tijd. “Als je een fobie hebt voor iets heel specifiek – je bent bang van naalden of van dieren – dan is dat doorgaans heel eenvoudig en succesvol te behandelen. Ook voor meer complexe angststoornissen zijn behandelingen regelmatig van relatief korte duur (bijvoorbeeld tien à twaalf sessies). Een belangrijke component van al deze behandelingen is blootstelling aan datgene waar je bang voor bent. Wie af wil van zijn angst voor spinnen, krijgt tijdens de therapie eerst foto’s van spinnen te zien. Later schakelt men over op echte spinnen, en uiteindelijk zal de patiënt ze ook moeten aanraken.”

“Dankzij ons wetenschappelijk onderzoek begrijpen we nu ook beter hoe angststoornissen ontstaan en kunnen we zelfs inzetten op preventie in plaats van behandeling achteraf. Dat is belangrijk voor risicogroepen die weleens in angstaanjagende situaties kunnen belanden, zoals brandweerlui, politiemensen of soldaten. Die kunnen we al op voorhand een aantal handvaten aanreiken zodat het niet tot een generalisatie van angst hoeft te komen. Preventie van angststoornissen is veel belangrijker geworden.”

Heeft dit onderzoek je nieuwsgierig gemaakt naar meer?